KenniscentrumOnderzoekenBloedonderzoek › Auto-antistoffen › Auto-antistoffen reumatische ontstekingsziekten

Auto-antistoffen reumatische ontstekingsziekten

Normaal gesproken maakt het lichaam alleen afweerstoffen aan tegen de indringers uit de buitenwereld, bijvoorbeeld tegen bacteriën of virussen. Soms maakt het lichaam afweerstoffen aan tegen een deel van het eigen lichaam, die noemen we auto-antistoffen (auto betekent ‘zelf’). Deze afweerstoffen kunnen een rol spelen in ontstekingsziektes waarbij het lichaam vanuit zichzelf ontstekingen maakt tegen eigen weefsels (auto-immuunziektes). Deze ziektes kunnen zich richten tegen één orgaan, maar soms kunnen ze ook ontstekingen op verschillende plekken in het lichaam geven.

Wanneer uw reumatoloog vermoedt dat u een bepaalde vorm van ontstekingsreuma heeft die gepaard kan gaan met bepaalde auto-antistoffen, dan volgt er een bloedonderzoek. Aanwezigheid van een auto-antistof betekent niet per definitie dat er een ontstekingsziekte is of gaat komen, want bij gezonde mensen komen soms ook lage waardes van auto-antistoffen voor. Er zijn veel verschillende auto-antistoffen bekend. Onderstaande zijn het meest van belang voor reumatische ontstekingsziektes.

Reumafactor

Reumafactor is een auto-antistof die zich richt tegen bepaalde eigen antistoffen (Immuunglobuline G). Bij ongeveer 80 procent van de patiënten met reumatoide artritis is de reumafactor in het bloed aanwezig; bij 20 procent van de patiënten dus niet. Daarnaast kan de reumafactor ook bij andere reumatische ontstekingsziektes aanwezig zijn, zoals bij Sjögren’s syndroom, SLE of systemische sclerose

Aanwezigheid van de reumafactor hoeft niet te betekenen dat er een vorm van ontstekingsreuma is. Bij een deel van de gezonde mensen is de reumafactor aanwezig, vooral bij ouderen. Ook tijdens infecties kunnen reumafactoren verhoogd zijn.

Anti-CCP antistoffen

Dit zijn antistoffen die zich richten tegen bepaalde lichaamseigen eiwitten: cyclische gecitrullineerde peptiden (CCP). Sterkverhoogde anti-CCP antistoffen zijn kenmerkend voor de diagnose reumatoide artritis en/of de ontwikkeling van deze aandoening in de nabije toekomst. Antistoffen kunnen echter al jaren voordat klachten ontstaan, aantoonbaar zijn. Ongeveer 60 procent van de reumatoïde artritis-patiënten heeft anti-CCP antistoffen. Roken verhoogt de kans op anti-CCP antistoffen (en daarmee de ontwikkeling van reumatoïde artritis). Daarnaast is bijvoorbeeld erfelijke aanleg belangrijk voor de aanmaak van anti-CCP antistoffen.

ANA

Anti-nucleaire antistoffen (ANA) zijn antistoffen die zich richten tegen onderdelen van de eigen celkern (nucleus). ANA zijn bij een deel van de gezonde mensen aanwezig, vooral bij ouderen. Bij verschillende reumatische ontstekingsziektes kunnen ze aanwezig zijn, zoals bij Sjögren’s syndroom, SLE of systemische sclerose.

Anti-dsDNA antistoffen

Anti-dsDNA antistoffen zijn gericht tegen dubbelstrengs DNA, een onderdeel van de eigen celkern (en vallen daarmee dus binnen de ANA). Ze zijn aanwezig bij meer dan 95 procent van de SLE-patiënten. Een licht positieve uitslag komt soms ook bij gezonde mensen voor.

ENA

Als de ANA  aanwezig zijn in het bloed, dan wordt met een mengsel van celkernstoffen een aanvullende test verricht. Hiermee wordt gekeken tegen welk bestanddeel van de celkern de afweerreactie gericht is. Deze apart te testen celkernonderdelen worden ENA genoemd (extraheerbare nucleaire antigenen). Hieronder vallen onder andere anti-centromeer en Scl-70 antistoffen (beide voorkomend bij systemische sclerose), en anti-SSA en anti-SSB antistoffen (beide voorkomend bij Sjögren’s syndroom).  

ANCA

Antineutrofiele cytoplasmatische antistoffen (ANCA) zijn gericht tegen bestanddelen van bepaalde witte bloedcellen (neutrofiele granulocyten). ANCA zijn kenmerkend voor een bepaalde vorm van bloedvatontsteking, die daarom ANCA-geassocieerde vasculitis wordt genoemd.



Deel deze pagina: