KenniscentrumZiekte/aandoeningKristalartritis › Pseudojicht (CPPD) › Pseudojicht (CPPD)

Pseudojicht (CPPD)

Pseudojicht is een vorm van kristalartritis door neerslag van calciumpyrofosfaatkristallen, ook wel CPPD genoemd (vanuit de Engelse benaming ‘calciumpyrophosphate dihydrate crystal deposition disease’). Omdat deze acute gewrichtsontstekingen er precies zo uit kunnen zien als jichtaanvallen, wordt de term ‘pseudojicht’ vaak gebruikt.
De calcium-pyrofosfaatneerslagen hangen samen met artrose en ontstaan eigenlijk alleen bij mensen boven de 50 jaar. Het afweersysteem kan vervolgens reageren op deze kristallen met een ontstekingsreactie, zoals gewrichtsontsteking of slijmbeursontsteking. CPPD komt bij 1 procent van de volwassen bevolking voor en twee keer zo vaak bij vrouwen.

Symptomen

Bij een ‘acute aanval’ van pseudojicht ontstaat er in een paar uur tijd een zeer pijnlijk, dik en rood gewricht. De heftige ontsteking is vaak in een paar dagen tot een week weer afgezakt. Meestal ontstaan deze aanvallen in de knie, de pols, de grote teen of de enkel. Maar pseudojicht kan in elk gewricht (pees of slijmbeurs) ontstaan. De aanvallen hebben vaak een terugkerend karakter. Er kan echter ook chronische gewrichtsontsteking ontstaan in één of meerdere gewrichten, die niet zo pijnlijk is en niet gepaard gaat met roodheid.

Oorzaak

Er spelen verschillende factoren een rol bij het ontstaan van CPPD, zoals leeftijd, erfelijke aanleg en artrose. Daarnaast hangt CPPD soms samen met stofwisselingsziektes die van invloed zijn op de calcium–fosfaathuishouding, zoals hyperparathyreoidie (bijschildklier die te snel werkt) en hemochromatose (ijzerstapelingsziekte).

Diagnose

De diagnose pseudojicht wordt soms door de huisarts gesteld. Vooral het ziekteverhaal en het lichamelijk onderzoek zijn belangrijk. Als er twijfel is over de diagnose en/of de behandeling, dan zal de huisarts doorverwijzen naar de reumatoloog.

Een definitieve diagnose CPPD kan worden gesteld door middel van het aantonen van calciumpyrofosfaatkristallen in gewrichtsvocht of ander weefsel. De reumatoloog prikt met een naald in een gewricht waar ontsteking zit (of heeft gezeten) en zuigt een beetje vocht op met een spuit. Het verkregen vocht wordt onder de microscoop onderzocht op kristallen. Zo kan een goed onderscheid gemaakt worden tussen jicht en pseudojicht, wat voor de behandeling belangrijk is.

Soms worden röntgenfoto’s gemaakt om te onderzoeken of er gewrichtsbeschadigingen of calciumneerslagen in kraakbeen zijn (‘chondrocalcinosis’). Daarnaast wordt soms bloedonderzoek gedaan om een onderliggende stofwisselingsziekte of een andere reumatische ontstekingsziekte uit te sluiten.

Behandeling

In tegenstelling tot jicht hebben dieetaanpassingen geen invloed op pseudojichtaanvallen. Minderen van calcium-inname heeft geen voordelig effect op calciumpyrofosfaatneerslagen, maar wel een nadelig effect op de botdichtheid.

Een acute pseudojichtaanval wordt behandeld met een algemene ontstekingsremmer, zoals  NSAID’s en/of colchicine, of prednison. Meestal is een kuur van 5 tot 7 dagen afdoende om de ontsteking helemaal te remmen. Soms wordt een onderhoudsbehandeling met het medicijn colchicine voorgeschreven, om aanvallen te voorkomen. Er is geen therapie mogelijk die de oorzaak, calciumpyrofosfaatneerslagen vermindert. Dit in tegenstelling tot jicht, waarbij de kristalneerslagen wel kunnen worden verminderd.



Deel deze pagina: